Een boze schoonmoeder aan de telefoon. Of ik wel gezien had dat het graf van Ron een chaos was; dat er allemaal verrotte bloemstukken op lagen en dat het helemaal smerig was. Nee. Dat had ik niet gezien, want ik kom daar nooit. Wat moet ik daar ook? Ron woont in m’n hart en niet op een paadje achteraf op de Algemene Begraafplaats. Zij vond het niet kunnen, sprak schande van m’n laksheid en was zeer ontdaan. En ik hoefde er niks meer aan te doen, want dat had zij al gedaan.
Nou, daar kon ik het dan mee doen. Niet eventjes informeren hoe het gaat, of ik het wel naar m’n zin had in de nieuwe buurt, of ik nog wat leuks had meegemaakt, of gewoon wat geroddel over de familie. Nou ja, dat gaat ook moeilijk na zo’n uitbarsting van woede en frustratie, dat snap ik ook wel, maar ik begrijp werkelijk niet waar ze zo’n punt van maakt. Alsof Ron er nog mee zit dat de plek waar z’n botten liggen er niet zo netjes uitziet. Hij was bij leven ook een sloddervos, dus wat dat betreft past het prima bij hem.
Ik ben de volgende dag toch even gaan kijken op het kerkhof. Het was alweer een tijdje geleden dat ik er was geweest en ik moest tot m’n schande bekennen dat ik Ron’s graf niet eens in één keer kon vinden. Ik heb ook het richtingsgevoel van een demente postduif en al die kerkhofpaadjes lijken op elkaar, maar je zou van een weduwe mogen verwachten dat ze het graf van haar man wel kan vinden. Nou, ik niet. Waarom hebben ze die paadjes net als op Père-La-Chaise in Parijs niet gewoon genummerd en benoemd? Een stratenplan met adres zou mij wel helpen. Uiteindelijk heb ik het natuurlijk wel gevonden. Ik zag het graf, las z’n naam op de steen en zag dat het graf keurig was opgeruimd.
“Tsja…”, dacht ik, “en nu?”
Ik ben maar naar huis gegaan en heb zitten bladeren in een oud foto-album van een tripje samen naar Parijs.