Het blijft een gênant tochtje. De gang naar de glasbak… Allereerst de bepaling van wanneer je precies gaat. Ga je elke dag, dan hoor je de roddeltantes in de buurt al praten.
“Die gaat elke dag naar de glasbak, elke dag lege flessen… die is zwaar aan de zuip hoor!”
Ga je elke week heb je hele volle tassen en hoor je ze in gedachten ook:
“Ach ja, wat wil je ook, zo’n vrouwtje alleen…. het licht is er ook altijd tot diep in de nacht op”.
“Ja, als wij thuiskomen van iets dan is de hele straat donker behalve bij haar”
“Dan zit ze zeker in d’r eentje te zuipen”
“Als je alleen bent dan doe je dat natuurlijk. Ik zie ook nooit iemand daar… nooit eens een vriendje of zo”
“ ’t Is ook wel zielig natuurlijk. Ik heb gehoord dat d’r man is overleden enzo…”
Dus ik spaar de flessen op en ga onregelmatig de flessen wegbrengen. De ene keer voor het weekend, de andere keer na het weekend. Wat voor de rest van het leven zo belangrijk is, te weten “regelmaat”, is voor de gang naar de glasbak niet echt sociaal wenselijk.
Laatst had ik weer een tasje vol op het terras staan en ik besloot het weg te brengen. Bij de glasbak zag ik Mo al staan. Mohammed heet hij voluit en hij woont twee huizen verderop. Het is een Marokkaan, maar dat merk je aan niks. Hij heeft een blonde Nederlandse vrouw en er schalt altijd iets van top40 muziek uit het huis.
“Ha, buurman… alwéér een feestje gehad?”, grapte ik.
“Nee hoor buurvrouw, wij zuipen altijd zoveel… Jij hebt wel weer een feestje gehad?”, vroeg hij.
“Ja, ik heb een feestje gehad…”, loog ik, “maar eh… moslims mogen toch helemaal niet drinken?”, plaagde ik.
“Christenen mogen toch helemaal niet liegen?”, zei hij.
Ik was heel eventjes verbouwereerd. Toen schoot ik in de lach. En hij ook.
“Komen jullie eens een keer borrel bij me halen?”, vroeg ik.
Ze komen volgende week bij me langs. Ik heb de drank al in huis en de volgende gênante gang naar de glasbak dus ook.

