Vlakbij het winkelcentrum in de buurt is de lagere school. Bij de lagere school spelen altijd kinderen, ook in het weekend. Er zijn grote klimrekken, een basketbalpleintje, allerlei speeltoestellen en een zandbak. Ik loop er vaak voorbij als ik op weg ben naar het één of ander. Vandaag liep ik er voorbij en ik zag twee kinderen enorm druk in de zandbak. Een jongetje en een meisje van ongeveer 6 jaar oud. Het jongetje ken ik niet, het meisje wel. Dat is het dochtertje van een collega van de thuiszorgvereniging waar ik wat vrijwilligerswerk voor doe. Leuke vrouw, schattig dochtertje.
Toen ik dichterbij kwam hoorde ik ze duidelijk tekeergaan. Ze waren ruzie aan het maken. Met behoorlijk heftige taal en schuttingwoorden. Ik schrok ervan, zulke grove woorden uit de monden van zulke kleine kinderen. Ik besloot er wat van te zeggen en ze uit elkaar te halen. Hillary Clinton indachtig, “it takes a village”, nietwaar… Het hele dorp moet zorg dragen voor de opvoeding van de nieuwe generatie en ik hoor bij de opvoeders.
“Houden jullie eens op met ruzie maken! Uit elkaar, en ga maar naar huis, als jullie niet lief kunnen spelen.”
Verbaasd keken 2 paar kinderogen naar me op.
“We doen toch niks?” zei het jochie.
“We spelen vadertje en moedertje”, zei het meiske.
Ik stond met m’n bek vol tanden. Zo gaat dat dus in die gezinnen. “Nou, ik vind het niet goed”, stamelde ik, “speel maar wat anders”.
Moet ik mijn collegaatje erop aanspreken? Ik weet het niet.


